Renske Brinkman is een van de pioniers van het Amstelkwartier. Ze woont hier sinds 11 jaar met haar man Jan Symen en hun twee kinderen, nu 16 en 13 jaar oud. Renske werkt als projectleider voor tentoonstellingen bij het Van Gogh Museum, na eerder gewerkt te hebben bij het Rijksmuseum. In haar vrije tijd geniet ze van zwemmen, suppen op de Amstel, tekenen en het bezoeken van musea. We spraken met haar over haar leven in de buurt, haar werk en haar wensen voor de toekomst van het Amstelkwartier.


Hoe ben je in het Amstelkwartier terechtgekomen?

‘We woonden eerst in het Funenpark, maar met twee kleine kinderen was ons huis daar te klein. We zochten iets groters en kwamen hier terecht, waar het toen nog betaalbaar was. Twee weken na mijn bevalling van de jongste kwamen we hier kijken en besloten we te verhuizen.’

Hoe vind je het om hier te wonen?
‘Het wonen hier is fantastisch, vooral door de goeie band die we met onze buren hebben. We hebben een boekenclubje, een supclub, een borrelclub en ik maakte een buurt-podcast met een buurvrouw. We hebben veel contacten via de basisschool van onze kinderen. Het is bijzonder om in een wijk te wonen met zoveel andere pioniers. Dat creëert ook een band. Verder fiets ik naar mijn werk, wat ideaal is, heb dus geen files en ik ben snel in de natuur.’

Waar haal je plezier uit?
‘Veel plezier haal ik uit tekenen en kunst. Het is een manier voor mij om tot rust te komen en mijn creativiteit te uiten.’

Je maakt illustraties, bijvoorbeeld voor ons stadsdorp. Waar komt je inspiratie vandaan?
‘Ik heb een jaar kunstacademie in Utrecht gedaan en hou van aquarel. Ik werk graag aan opdrachten voor anderen en stel mezelf vaak doelen en deadlines. Als projectleider ben ik gewend om in deadlines te denken, en dat helpt me om focus te houden.’

Wat zou je het Amstelkwartier in de toekomst toewensen?
‘Wat ik zou willen voor de toekomst is een supermarkt, hoewel ik me erbij heb neergelegd dat die er voorlopig niet komt. Een gezellig buurtcafé lijkt me ook leuk. Of een marktje; plekken die ertoe bijdragen dat we elkaar als buurtbewoners ongedwongen kunnen ontmoeten. Maar gelukkig ben je zo in de stad, waar je ook veel van deze dingen kunt vinden, dus het is niet het belangrijkste.’